Boeken, Engels, recensie

hell yeah: John Dies At The End

En omdat we toch al aan het lachen waren met de “hell yeah” serie, hier nog een van de  humoristischer entries. Of is het dat eigenlijk wel? John Dies At The End. 😉

“Dave? This is John.”
“What, are you-”
Alive?
“-in an ambulance or something?”
“Yes and no. Are you still at the police station?”
“Yeah. We were both-”
“Have I died yet?”

Misschien heb je de film wel gezien, misschien heb je er wel eens van gehoord. “John Dies At The End” is een urban fantasy/horror boekenserie van (nu nog) drie boeken, geschreven door David Wong (pseudoniem van Jason Pargin).  En hier komt het deel waar ik moet gaan pitchen waarom het nu zo amazing is, en dat is waar het moeilijk wordt. De drie boeken in de serie heten “John Dies At The End“, “This Book Is Full Of Spiders (Seriously Dude, Don’t Touch It)” en “What The Hell Did I Just Read?“. Misschien dat dat het een en ander al uitlegt. 😉

“Just answer the question, please,” John said. “Did your dog ever levitate, or speak in dead languages?”
“What? No.”
“Are you sure?”
“Ma’am,” I said, “if your dog was dabbling in the occult it’s best you tell us now. We’re experts.”

John Dies at the End PosterHet gaat over John en Dave (en Amy), die in een stadje in mid-west Amerika wonen. Dankzij een avontuur met een vreemde drug genaamd “soy sauce” kunnen ze door dimensies heen kijken – eigenlijk zo ongeveer de hel in. Monsters zijn echt, ze zijn aanwezig, en ze zijn gevaarlijk.

John, Dave en Amy doen hun best om hun stadje en de wereld te redden tegen uitbraken van kosmische horror. Ze zijn echter ook niet al te slim (nouja, Amy wel), super cynisch (Dave), en eigenlijk gewoon een beetje white trash (John en Dave allebei), dus het gaat niet altijd even gemakkelijk.

“The problem isn’t that there’s not enough heroes in the world, the problem is too many dumb people assume they are one.”

Dave is de verteller van het verhaal, hoewel we soms ook stukken krijgen vanuit de perspectieven van John en Amy. Er wordt veel gespeeld met het concept van de onbetrouwbare verteller, wat een extra laag aan het verhaal meegeeft. De personages hebben allemaal een eigen stem, maar wat ze allemaal gemeen hebben is – buiten dat ze best vulgair zijn en er wat afgevloekt wordt – een hele laconieke manier om naar het leven te kijken. Ze zijn al ver voorbij de mental breakdown die je wel móét krijgen als je een leven als dat van hen leidt, en hebben zich neergelegd bij het feit dat het universum een teringbende is.

Maar wat de serie voor mij van “leuk/bij tijd en wijle hilarisch” naar “hell yeah” tilt, is dat de serie zichzelf inderdaad bepaald niet serieus neemt – meerdere malen heb ik in een deuk gelegen van het lachen – …totdat het dat wél doet. De serie is een mix van absurdistische platte humor en existentiële horror die je maanden later nog steeds aan het nadenken zet.

“PEOPLE DIE. This is the fact the world desperately hides from us from birth. Long after you find out the truth about sex and Santa Claus, this other myth endures, this one about how you’ll always get rescued at the last second and if not, your death will at least mean something and there’ll be somebody there to hold your hand and cry over you. All of society is built to prop up that lie, the whole world a big, noisy puppet show meant to distract us from the fact that at the end, you’ll die, and you’ll probably be alone.”

De drie hoofdpersonen hebben allemaal hun eigen problemen (in Johns geval verslaving, en in Daves geval depressie), en hoewel er vaak om gelachen wordt, wordt het bij tijd en wijle hartbrekend duidelijk dat ze eigenlijk gewoon goeie gasten zijn die met 3-0 tegen rondlopen in een wereld die ze niet nodig heeft. Stiekem is het een en ander psychologisch best goed verankerd, waardoor je steeds meer begint mee te leven met deze poor motherfuckers.

“A cockroach has no soul. Yet it runs and eats and shits and fucks and breeds. It has no soul, yet it lives a full life. Just like you.”
En net als je je er rot over begint te voelen, maken ze weer een platte grap en begin je weer te lachen. En dan ben je uitgelachen, en dan wordt er opeens een beeld geschetst van een parallel universum waar dingen (wel) nogal mis zijn gegaan, en dan zit je met een gruwelijk mentaal beeld dat je maanden later nog steeds achtervolgt.
Er zit een scene in boek 3 waar ik soms, in onbewaakte ogenblikken, aan moet denken. En dan zie ik dat beeld weer voor me, en dan huiver ik weer. Ik denk dat dát echte horror is. Ik word namelijk niet snel bang van boeken of films – maar deze boeken hebben me echt hier en daar wel een tik uitgedeeld.
De boeken zijn overigens niet perfect. Boek 1 heeft een traag middenstuk, boek 2 is qua toon anders dan de anderen, en boek 3 is zo’n mindfuck dat het moeilijk is om te weten wat er nou écht gaande is. Bovendien is de humor bij tijd en wijle zo plat dat als het je ding niet is, dat je waarschijnlijk afhaakt. Ik persoonlijk heb het gevoel voor humor van een twaalfjarige, dus ik vind t geweldig.
TL’;DR: Denk Dude, where is my car? ontmoet Supernatural, en dan kom je denk ik wel een heel eind. Dit is een boekenserie waarvoor ik alles laat vallen als er een nieuwe uitkomt, en die ik eens in de zoveel tijd probeer te herlezen, gewoon omdat ik het universum zo ongelofelijk gaaf vind, en omdat de personages me lief zijn.
“I didn’t cry. And if you think I did, good luck proving it, asshole.”
En, als afsluiter: ik weet vrij zeker dat als ik niet vlak ervoor What The Hell Did I Just Read had gelezen, dat ik dan eind 2017 nooit die bizarro actiedroom had gehad die de basis heeft gelegd voor mijn volgende twee boeken. De Prijs Van Water komt Q1 2020 uit. Dus, daar mogen we ook nog eens dankbaar voor zijn. 😉
Boeken, recensie, Redigeren, zilverspoor

bloedengel, van rosalynd randolph

Een van de redenen waarom ik in de maanden februari en maart zo stil ben geweest, is omdat ik druk bezig geweest ben met het redigeren van twee romans – niet mijn eigen boeken, maar twee andere prachtboeken. Een van de twee is nog in wording (releasedatum is in mei), maar de ander – die ik hier bij deze met gepaste trots aan jullie presenteer – ziet op Elfia Haarzuilens het levenslicht.

Dat is Bloedengel, het nieuwe boek van Rosalynd Randolph. Tijdens een fantastische samenwerking heb ik Rosalynd mogen helpen om de laatste puntjes op de i te zetten wat betreft haar verhaal. Om heel eerlijk te zijn: ze had me weinig nodig, wat een klasseverhaal heeft ze geschreven! Ik hoefde maar een paar kleine nuances te suggereren, veel meer had ze niet nodig.

Rosalynd is een geweldig auteur die ik al persoonlijk kende omdat ze, naast dat ze een Zilvercollega is, jurylid is bij Fantastels (en twee super schattige hondjes heeft die ze soms meeneemt naar beurzen), maar haar oudere werk had ik nog niet gelezen. In haar nieuwe boek Bloedengel weet ze een urban fantasy setting te creërendie zó dicht bij de onze ligt, dat ik het moeilijk vind om het fantasy te noemen. Er bestaan toch succubi, demonen en engelen? Wat? Zo werkt het toch, om je ziel aan de duivel te verkopen? Het verhaal leest meer als een superspannende thriller, met zulk realistisch geschreven fantasy elementen, dat ik het eigenlijk moeilijk zou vinden om hem te typeren als fantasy. Ondanks dat het dat gewoon ís. (Ik ben niet zo goed met genres, zoals je al gemerkt had).

De personages zijn levendig, rijk, sarcastisch en tragisch en begrijpelijk tegelijkertijd. En leg daar de demonische en hemelse krachtmetingen nog bovenop, een proza dat leest als een trein, en je hebt een ontzettend goed boek in handen. Een echte page-turner. (Serieus, ik heb de eerste versie van dit verhaal al tijdens een vijf-uur-durende vliegreis van Gran Canaria naar Schiphol in één ruk uitgelezen, en dat was voor de redactie plaatsvond!)

Ik kan dit boek iedereen aanraden die houdt van spannende verhalen en die een powerstruggle tussen de hemel en de hel niet te versmaden vindt. Ik ben er zo eentje, jij ook? Haal dan Bloedengel op Elfia, en bedank me later maar. 😉

bloedengel