over wat mij een warm hart voor moderne fantasy bezorgd heeft

“Oh, moderne fantasy. Wat apart,” zei een lezer ooit tegen mij op een beurs, toen ze een van de Lentagonboeken in handen had. “Dat zie je niet zo vaak.”

En dat klopt, neem ik aan, als je dingen als urban fantasy niet in acht neemt. Hoewel ik epische fantasy zeker wel geschreven heb, is het overgrote deel van de fantasy die ik schrijf zo modern dat het tegen science fiction aanschuurt. En hoewel ik heel rebels roep dat ik me niet wil binden aan vastgestelde hokjes en gewoon lekker wil doen waar ík zin in heb, en schrijven wat ík graag wil lezen (en dat ook zeker waar is!) heeft het me wel doen afvragen hoe ik daar zo bij gekomen ben. Hoe kwam het dat ik me daar instinctief zo comfortabel mee voel? Want de boeken die ik altijd gelezen heb, en die het meeste invloed op me gehad hebben tijdens mijn tienerjaren en toen ik in de twintig was, waren met name de boeken van George R. R. Martin, Robin Hobb en Robert Jordan. (Met een dosis Stephen King erbij, trouwens) Geen van alle erg moderne fantasy.

En toen realiseerde ik het me, want het staart me al jaren in mijn gezicht en ik ben soms een beetje blond. Natúúrlijk had ik een intense invloed tijdens de jaren dat ik echt serieus begon met schrijven. En natúúrlijk heb ik daar talloze uren in gezonken. Natuurlijk was het Final Fantasy.

Toen mijn man (toen nog mijn vriend) en ik gingen samenwonen  en ik de tere leeftijd van net 19 had, poelden we onze resources samen. We maakten boekenseries compleet, we genoten van elkaars cd collectie, en hij had een playstation. Man wat hebben we een hoop lol van dat ding gehad. Pinball toernooien, Tekken drinking games (als je een gevecht verloor, moest je een shotje nemen), …en Final Fantasy 7. De grap is dat ik daar nog niet eens begonnen was, initieel. Ik liet hem nog even links liggen.

Maar Final Fantasy 8 kwam rond die periode uit, toen we net op onszelf woonden in 1999, en díé hebben we echt kapot gespeeld. Final Fantasy 8 was mijn eerste FF game, en man wat was ik verslaafd. Final Fantasy 8 is een moderne, grungy setting, waarbij magie ook gebruikt kan worden, door het harnassen van natuurgeesten/summons/guardian forces. Maar ondertussen hebben ze auto’s, treinen, machinegeweren en wat dies meer zij. Ik heb er honderden uren in gezonken, in zowel de shitty PC versie als de wél werkende playstation versie.

En toen, een jaar later (eind 2000), heb ik tijdens de kerstvakantie Final Fantasy 7 eindelijk opgepakt. En daar heb ik ook van genoten. Die laatste eindbattle tegen Sephiroth zal ik nooit vergeten. Het was op een zaterdagavond laat, ik besloot de laatste dungeon (Northern Crater) in te gaan en hem te verslaan ter experiment, want ik was helemaal nog niet sterk genoeg en ik was helemaal niet zo goed in deze game als ik in FF8 was (ik vogelde pas aan het einde van de game uit dat je materia kunt breeden. UGH), maar ik had zoiets van: ach, het is zaterdagavond, let’s GO. Dus ik daalde de krater af, en dat is nog best een tijdrovende dungeon crawl, en ik kwam bij de eindbaas. Sephiroth, die de wereld zou vernietigen met een meteoorinslag. Dus we vochten. En het was EPISCH. Ik was tot drie keer aan toe een seconde verwijderd van een total party kill, en de totale battle duurde denk ik anderhalf uur. De battle music (het iconische One Winged Angel) knalde door mijn speakers. Ik schreeuwde tegen mijn TV. En toen lukte het, en ik zat trillend van de adrenaline, en Olli kwam het eindfilmpje met me kijken. En we keken naar buiten en realiseerden ons dat het buiten keihard aan het sneeuwen was en dat het twee uur ’s nachts was. Dus toen zijn we midden in de nacht door de sneeuw gaan lopen, omdat we allebei ZO HYPE waren dat we anders niet konden slapen.

Die herinnering neemt niemand me meer af. Ik heb later de anderen ook nog gespeeld, trouwens, hoor. 6, 9, 10, 12, 13, 13-2 en 15. FF11 en 14 zijn MMO’s, dus die stonden wat lager op het lijstje. Komt nog.

En als je het zo bekijkt, is het niet zo gek dat ik dus ook moderne fantasy schrijf, zoals in Final Fantasy 7 en 8. (en 15, mijn andere favoriet, maar die heb ik pas deze winter kunnen spelen)

Oh, en de Final Fantasy 7 remake? Fantastisch. Aanrader. Hell yeah, enzo. 🙂

 

de onbetrouwbare verteller – of waarom ik graag ik in de ‘ik-vorm’ schrijf

Laten we het meteen maar ter tafel gooien: ik ben dol op verhalen die in de ik-vorm geschreven zijn, en ik vind het fijn om ze te schrijven. Ik weet dat niet iedereen het zo ziet; ik heb wel vaker discussies met mensen die het gewoon niet prettig vinden lezen, en dat snap ik.

Verhalen in de ik-vorm limiteren de visie op de wereld, omdat je minder gemakkelijk van perspectief kunt wisselen en je gedwongen bent om te luisteren naar de hoofdpersoon. Kan je je niet vinden in de ‘stem’ van het hoofdpersoon, dan kan je net zo goed het boek wegleggen, want dan ga je je het hele boek lang irriteren. (Mijn man had dit bij ‘Kushiel’s Dart’ van Jacqueline Carey. Hij kon Phèdre’s stem niet hebben en knapte binnen twintig pagina’s af, terwijl ik juist genoot van haar rijke beschrijvingen. Gemiste kans voor hem, zou ik zeggen, want het is een fantastisch boek, maar we dwalen af).

Een van de redenen waarom ik de ‘ik-vorm’ leuk vind om te lezen en te schrijven is omdat je opeens veel dichter bij de hoofdpersoon staat. Het is waanzinnig intiem om een directe connectie met iemand’s directe gedachten te hebben. Ik geniet van die intimiteit, maar ik geniet nog veel meer van het feit dat je kan spelen met het concept onbetrouwbare verteller. Want iedereen kijkt door zijn eigen denkraam naar de werkelijkheid. Iedereen heeft een gekleurde perceptie. Iedereen beïnvloedt zijn eigen wereldbeeld en herinneringen. Ik vind het leuk om te kijken (en te speculeren) hoe ver dit beeld van de hoofdpersoon afligt van de realiteit.

Er zijn verschillende voorbeelden hiervan te benoemen maar misschien is het leuk om hiervoor naar “Stof en Schitteringen” te kijken. Een mooi voorbeeld is Joy en hoe zij Seamon ziet. Vanaf het allereerst moment dat ze hem ziet – verre van nuchter – wordt ze verliefd op hem. Joy heeft flink wat persoonlijke baggage van genegeerd worden en behoefte hebben aan aandacht en liefde, dus ze focust zich ongelofelijk op Seamon. Ze projecteert een beeld op hem van ‘haar mooie jongen’ die hij eigenlijk helemaal niet is. Seamon heeft zijn eigen problemen en trauma’s die hij met zich meesleept en laat zich haar aandacht dankbaar aanleunen, dus dat beeld van perfectie zal hij nooit waarmaken. Maar omdat we in Joy’s hoofd zitten, lijkt het alsof het zo moet zijn, alsof het iets goeds is. Dat is het niet. Die relatie begint op compleet verkeerde voet, en daarna zitten ze aan elkaar vast. Of ze het ook samen op de lange termijn zouden redden is een hele interessante vraag waar ik nog steeds niet over uit ben.

Dat gezegd hebbende, is limited third person point of view ook een manier om de onbetrouwbare verteller toe te passen. George R. R. Martin is hier bijvoorbeeld een meester in; omdat zijn derdepersoon zo gelimiteerd is in de hoofdstukken, kan hij waanzinnig goed spelen met zulke contrasterende perspectieven, ze tegenover elkaar zetten, en de lezer laten kijken wat hij of zij de echte waarheid vindt.

En het allermooiste voorbeeld van de onbetrouwbare verteller die ik ken, is wel het verhaal van Cloud Strife in Final Fantasy 7. Ik ben FF7 nu voor het eerst in veertien jaar aan het herspelen en ik ken het verhaal nu natuurlijk, dus het is nu zo mooi om te ontdekken waar de gaten in zijn verhaal blijken te zitten (en hoe Tifa erop reageert – die de waarheid wel kent, maar aan zichzelf begint te twijfelen)… ik weet nu de waarheid. De game is in de re-play eigenlijk nog leuker dan het voor de eerste keer spelen. Man, wat ben ik aan het genieten!

De onbetrouwbare verteller geeft je de mogelijkheid om te kunnen speculeren over de werkelijke waarheid van het verhaal, terwijl die met een betrouwbare verteller veel meer als een klaar klontje gepresenteerd wordt. En daarbij is de ik-vorm is de meest intense manier van onbetrouwbaar vertellen. Ik vind het dus heerlijk, maar ik kan me voorstellen dat het niet voor iedereen is. Wat vinden jullie?